Hoe gaat het?
Druk, druk, druk. Besprekingen, vergaderingen, werk, bankgesprekken, huis verkopen.
En ik heb vannacht zo raar gedroomd. Moet je horen.
Op een gegeven moment ging in mijn droomverhaal het alarm af. Mensen renden naar me toe en wezen me de weg naar een bed waarin mijn manlief lag. Hij was juist binnengebracht op een brancard. Weer zijn hart? Hevig geschrokken ging ik op het bed zitten en hield zijn hand vast.
Ze hadden hem een slaapmiddel toegediend en terwijl ik bezorgd over zijn weinige haar streek kwam er een dokter aangelopen. Zijn gezicht stond niet op sympathiek.
De arts stelde me gerust. Er was gelukkig niets met manlief’s hart. Hij wees echter naar een been van man. Het been zag er heel normaal uit. Zijn leuke been. Wat was daar mis mee? ‘Dat been kunnen we niet behouden, heel spijtig,’ sprak de dokter. ‘Wilt u toestemming geven om het vannacht nog te laten verwijderen?’
‘Néé!’ schrok ik. ‘Is dat de enige optie?’
‘Het is de enige optie. U moet NU beslissen en ik zou als ik u was ook meteen het andere been laten verwijderen want het is twéé voor de prijs van één.’
‘Ik kan geen beslissing nemen terwijl mijn man slaapt!’ zei ik schor.
‘Dan doet u het niet maar ik moet zeggen dat ik het wel overdreven gevoelig van u vind.’
‘Mijn man zal zelf morgenochtend de beslissing nemen als hij wakker wordt’ zei ik ferm.
De volgende dag arriveerde ik met bonzend hart in de eetzaal. Ach, hoe zou het met mijn manlief gaan? Daar kwam vreemd genoeg mijn zusLien aangesneld.
‘DAAAAAR zit hij!!!’ wees ze. ‘WAAR?’
Ik kon manlief niet vinden maar Lien beende voor me uit. Eindelijk zag ik hem. Hij was heel heel klein geworden. Er zat een piep klein rompje op de stoel. ‘NEE!’
Ik vloog hem in zijn armen die hij nog allebei had en weende: ‘Wat heb je nu gedaan! Was het écht wel nodig? Je benen zagen er nog zo gezond en normaal uit.’
Manlief suste: ‘Maar meissie, ik ben wel blij dat ik van mijn benen af ben. Het valt reuze mee. EN… het was nu twéé voor de prijs van één.’
Tante Kraai

Kraaien hebben pootjes
maar mijn tante had ze ook
want ze kwamen vaak tevoorschijn
als ze lachte
Ze zaten rond haar ogen
rond haar neus en om haar mond
rim-pels van fluweel, die
hele zachte
Ze prijk-ten op haar voorhoofd
in haar hals, on-der haar kin
en ze plooiden beide wangen
oud van dagen
Doch mijn tante vond ze lastig
vond ze lelijk, vond ze grauw
Ze droeg ze maar ze kon ze
niet verdragen
Dus toen trok ze gekke bekken
stak haar tong uit op muziek
smeerde zalfjes op haar snoet en
at tomaten
Ze slikte vitaminen
dronk veel water, groene thee
maar dat wilde na een poosje
niet meer baten
Zij fronste want haar voorhoofd
werd niet glad en amper strak
Tante durfde zich op straat niet
te vertonen
Maar haar rimpelloos verlangen
hielp mijn tante op de been
en zij droomde elke nacht van
siliconen
Op een dag ging ze waarachtig
naar een schoonheidsinstituut
Daar werd botox (niet te weinig)
ingespoten
De chirurg, bekwaam en vaardig
injecteerde eigenaardig
en pardoes is toen zijn naald wat
uitgeschoten
Tantes huid té strakgetrokken
lippen té gecorrigeerd
tantes wangen opgeblazen,
kin verdwenen
Tante heeft nooit meer gelachen
zij was wel haar rimpels kwijt
maar ze liep nu elke dag op
kromme tenen
Het nieuwe rokje en stinkende gier
Vanmorgen fietste ik in mijn nieuwe rokje op de bakfiets naar het tuincentrum. ‘Wat heb jij je vandaag mooi aangekleed,’ zei een man in groene overal.
Hee. Wat leuk. Dat hoorde ik niet elke dag. Mijn dag begon goed.
Bij de kassa werd ik opnieuw aangesproken door een dame.
‘Ik zie u al een tijdje lopen en mag ik zeggen dat u een heel leuk rokje aanheeft?’
‘Ja hoor, dank u wel. ‘
Goh.
Met de kar vol bloemen racete ik door de weilanden en een flink eind voor me sputterde een grote tractor. Ik dacht nog: ‘Wat glimt die auto mooi in de zon, wat geurt het hier onweerstaanbaar naar boerderij en wat fiets ik hier toch heerlijk door het frisse lenteweer.’
Plotseling druppelde er een soort bruin vocht uit een pijp achter de tractor.
De chauffeur -een jong manneke- sprong ogenblikkelijk uit de auto en begon aan de pijp te sleutelen. Voor mijn ogen gebeurde het. Het bruine vocht spoot uit de pijp over de chauffeur. Ik zag de paniek in zijn ogen. ‘Wat moet ik doen?’ las ik.
Hij liep eerst naar voren, toen weer naar achteren, toen weer naar voren en greep wanhopig met zijn handen naar zijn hoofd. Want nu spoot er met volle kracht een stinkende lading gier over het pad.
Ik kon niet wijken. Mijn nieuwe rokje (ooooh) werd er onder gespat. Mijn panty bruin.
Vol afgrijzen trapte ik huiswaarts. Ik stonk naar boerderij. Kon het kledingstukje eigenlijk wel in de was? Had ik daar wel goed op gelet?
Jee, daar reed zomaar een andere tractor met een levensgrote schep dwars over de weg. Het had weinig gescheeld of ik was met bakfiets en al opgeschept. De chauffeur zat met wazige ogen achter het stuur. Ik wierp hem een nijdige blik toe terwijl hij zijn raampje opendraaide. Geen excuus kon er af.
Hij mompelde iets terwijl ik uit pure schrik ‘Stomkop’ riep.
‘Leuk rokje,’ of zo.
Oude vrouwen en chrysanten
Ik houd niet van Chrysanten.
Geef mij maar een bosje gekleurde anemonen, blauwe druifjes of een lukraak geplukt onkruidboeketje. De charme van een enkele boterbloem doet me glimlachen, Margrietje.
Ik stak ooit mijn neus in het boeket om de speciale geur te ruiken en hij kwam er rood gepeperd uit tevoorschijn.
Werkelijk, hij glom van de jeuk. Mijn ogen traanden.
Het schijnt dat de bloemen chemisch behandeld worden zodat ze helaas nóg langer in de vaas staan. Levende bloemen weggooien kan ik niet over mijn hart verkrijgen.
De charme van een uitgebloeide zonnebloem ontroert me. Tulpen die de vaas uitgroeien en zich in bochten wringen terwijl het stuifmeel de vensterbank bepoederd.
De geur van een blauwe hyacint maakt me blij.
Blauw, Roos. Geen witte hyacinten, hoewel zij wonderschoon zijn.
Ik weet niet wat mijn moeder bezielde toen ze mij de naam: Chrysanta gaf, Madelief.
Dit is mijn bijdrage voor de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten. ;-) (klik)
Het kado
Bedankt voor uw gulle gift.
U hebt het vast met veel zorg uitgekozen wat u wellicht in uw eigen woonkamer zou willen ophangen. Uiteraard hebt u gedacht dat wij het ook zeer op prijs zouden stellen.
Het is wel een érg groot kado. Waar hebben wij dat aan verdiend. U stond erop dat we het in het openbaar uit zouden pakken terwijl u hengelde naar ‘spontane’ lofuitingen. ‘Schitterend vinden jullie niet? Het is heel oud hoor en wat IS het goed geschilderd. Je moet er maar net tegenaan lopen.’
Wellicht vindt u het wérkelijk goed geschilderd maar wij kregen een beetje kramp in onze buiken en werden er terstond verlegen van. Nee, zoiets zouden we zelf nooit uitgezocht hebben.
‘Prachtig!’ riepen we beleefd.
‘Móói?’
‘Ja, heel erg mooi.’
‘ECHT iets voor jullie. Dat dacht ik al.’
En dan te bedenken dat dit niet het énige schilderij is wat we van u kado gekregen hebben. Een paar maanden geleden ontvingen wij een REUZENgrote prent die u spontaan langs kwam brengen. Wij vinden dat echt ontzettend lief.
Dat u zoveel moeite voor ons doet.
Omdat de prent bijna uit elkaar viel gaf u ons de raad het karton bij te laten snijden en de plaat in te laten lijsten. Dat kostte ons wel een paar duiten maar u stond erop. U had bovendien ook al een plaats in uw hoofd waar de prent in ons nieuwe huis zou moeten hangen.
Evenals het schilderij.
Wij hebben met elkaar gepraat en gepraat en gepraat want wij zouden u niet graag voor het hoofd willen stoten of kwetsen. Maar u zou vanzelfsprekend tijdens een bezoekje opmerken dat uw geschenken niet bóven onze bank prijken maar daaronder.
Dat willen wij u niet aandoen.
We hebben daarom besloten om de kunstwerken heel af en toe tevoorschijn te halen en op te hangen om onszelf te herinneren aan al uw lieve en goede bedoelingen.
Klazien en Klazien
Naast mij zat een vrouwtje.
Ze deed me denken aan (een oudere) Klazien uit Zalk. De vrouw die op de hoogte was van allerlei huismiddeltjes tegen kwalen. Dat vond ik altijd reuze interessant.
De oude vrouw droeg een zwarte lange jurk en prevelde in zichzelf.
Haar dochter kwam weldra aangelopen met een dienblad waarop twee dampende schalen stonden. Ik keek even opzij. Goh, de dochter deed me óók denken aan Klazien. Diezelfde knot, datzelfde loopje.
Ik verwonderde me bovendien over de broekrok van de dochter. Ik wist niet dat broekrokken nog bestonden maar het zou natuurlijk kunnen dat zij die broekrok zelf achter de naaimachine gefabriceerd had. Ze droeg tevens grote wandelschoenen en hoge kniekousen.
Vóór de dames gingen eten sloegen ze een kruis en begonnen ze het ‘Onze Vader’ te bidden.
Vervolgens prikten ze zwijgend in hun bord spaghetti. De dochter griste haar mobiel na de maaltijd uit een grote tas terwijl ze haar moeder aanwijzingen gaf hoe ze haar spaghetti moest verorberen. ‘ Snijd alles maar heel klein, moeder en schep het dan op de lepel.’
…
‘Jaaa.
Ráád ‘ns waar ik nu zit.’
…
‘Ik zit op VIJF hoog in de Bij’nkorf met prachtig uitzicht op de Nieuwe kerk.
Samen met oma van vijf-en-tachtig- die nog NOOIT in haar hele leven in Amsterdam geweest is. Haha.
Aan de I-TA-LIAANSE POT!’
…
‘Jaaa. Oma is wel een beetje dizzy. Van alle roltrappen. En heeft ook een zere knie. Dat begrijp ie wel.
Maar daar heb ‘k wel ‘n middeltje voor.’
Haar schepje
Omdat haar man in het ziekenhuis lag, moest ze noodgedwongen zijn hond uitlaten.
Voor zijn hond was ze al lang niet meer bang. Vooral nu hij stokoud, doof en dwaas begon te worden. Nee, het waren de ándere honden waar ze liever met een grote boog omheen liep. Maar ja, díe keffende en grommende honden huppelden juist liever in de richting van het bejaarde beestje en sprongen tegen haar op terwijl ze met haar speciale schepje tevergeefs stond te wachten op dát wat het mannetje van het Gas wél gedaan had.
Als de hond dan eindelijk een bergje in het gras gelegd had, kreeg ze het niet op haar schepje. Ze schoof de hondenbehoefte telkens weer voor zich uit terwijl ze er charmant gehurkt en -hopelijk- onbespied achteraan liep. In feite zou ze een soort veger en blikje moeten hebben. Of twee schepjes. Hoe deden die andere hondenmensen dat toch?
Na een vermoeiende dag besloot zij de hond voor één enkel keertje op haar achterplaatsje uit te laten. Tenslotte zat ze in haar badjas en wilde ze niet de kou in en aangezien zijn hond toch te oud was om ver te wandelen…
Maar de hond stond tot twee keer toe alleen maar met vragende ogen te smeken tot ze hem weer binnen liet. Daar trippelde hij door de kamer en blééf maar onrustig trippelen.
Ze trok haar jas over haar ponnetje en stapte met blote voeten in haar bontlaarsjes.
De hond lag braaf op de mat terwijl ze hem aan lijnde. ‘Even tien minuutjes en dan weer naar binnen,’ sprak ze streng tegen zijn dovemansoren.’
En inderdaad, na tien minuutjes stonden ze weer bij de voordeur.
Zonder sleutel.




