Duizenden schapen

‘Wat ik nu toch gezien heb!’
vriendin stond op de stoep.
‘Ga eerst even zitten. Kopje koffie?’
 
Maar vriendin kon niet wachten. ‘ Ik werd achtervolgd door duizenden schapen.’
‘Wat zeg je me daar?’ ( had vriendin last van de hitte?)
 
Duizenden schapen
achter mij aan
Zij dwongen mij
eventjes 
stil te staan
 
 
Duizenden schapen
in ‘galop’
Maar één schaapje sprong
toen bij mij
achterop. 
 
‘Ja ja!’ 
 

Heimwee

Vorig jaar reisden wij naar Suriname. Toen wist ik nog niet dat je ziek was en nog zieker zou worden. Het gaat nu beter. Je bent nog altijd moe maar je sport en slikt allerlei medicijnen. Je telt ze uit op tafel. Die kleurtjes. 
 
Ik denk met deze hitte aan de tropen. Wat zou het heerlijk zijn in een hangmatje te bungelen. Met alle oerwoud geluiden op de achtergrond. Een overvliegende Toekan in de verte. Samen schuilen in ons hutje onder de klamboe terwijl de olielamp heen en weer schommelt en de tropische regen naar binnen klettert. 
 
 
Ons mee laten sleuren met de stroming in de rivier. Enkel met een zwemvest aan. 
Het binnenland. De rust. De pom. De verhalen en trommels. 
 
Nu doe ik alsof ik op de veranda wieg. Jij hebt een hangmat opgehangen. Ik proost met een wijntje. En dat is dan weer een voordeel  van een supermarkt hier tegenover.

Marathon

Ik was in Düsseldorf. Daar liep ik via de Haroldstrasse naar de Medien haven, beroemd vanwege zijn bijzondere architectuur. Vreemd genoeg waren alle straten afgesloten en stonden er mensen langs de kant met toeters en bellen. Het was nog vroeg. 
 
Trommelaars sloegen er ritmisch op los. Oh, wat zou ik graag zo’n trommel pakken zoals jaren geleden toen ik lid was van een Braziliaanse trommelgroep en méédoen. Ik kon nauwelijks passeren. Hee, daar kwamen hardlopers aan. Zij werden luid toegejuicht. Het waren koplopers begreep ik. Dat ik dat op een gewone zondagochtend zo toevallig meemaakte. (klik)

 
Ik keek mijn ogen uit. Bij de finish zag ik lopers met vuur in hun ogen. Zij straalden zó overgelukkig wegens de adrenaline dat ze nog wel een marathon hadden kunnen lopen. 
Anderen hingen met de tong op hun schoenen tegen de hekken. Compleet gebroken. Een dun doorzichtig regenjasje sierde hun knokige schouders. 
 
In de stad zwoegden intussen de overige duizenden en duizenden. Ik ging op een terrasje zitten om ze eens goed te bekijken maar de renners sprongen zo rap voorbij dat ik er duizelig van werd. 
 
De mooiste lopers waren vrouwen. Afrikaanse dames die zo mooi en soepel liepen dat het een lust voor mijn oog was. Vol verbazing sloeg ik sommige renners gade die lang niet zo krachtig renden en pijn met moeite uitstraalden. ‘Wat doen jullie jezelf in vredesnaam aan?’ dacht ik dan. 
 
De ene loper sjokte en sleepte met zijn gekniekousde benen over de straten. Een ander liep stijf en geheel achterover. Een derde deed niets anders dan zwaaien en roepen naar het publiek. Over de kledij had ik ook wel een heel verhaal kunnen schrijven. Er was zelfs iemand die zich verkleed had als (schuimrubberen) bierflesje. Ik kreeg er dorst van. 
 
Een koel wit wijntje smaakte opperbest en het weer was prachtig. 
Ik besloot ter plaatse nooit een marathon te gaan lopen maar wél weer te gaan trommelen. 

Openbaar toilet station Leeuwarden

Op het station te Amsterdam loop ik vaak even voor ik de trein in stap naar perron 2.
Op perron 2 is namelijk de WC.
 
In het WC hokje zit al jaren dezelfde man die tegen elke dame (oud of jong)
‘Dag SCHAT’ roept. En als het dan niet meteen lukt om het muntje in het gleufje te werpen staat hij je met raad en daad bij. ‘Je moet het er met gevoel ingooien dame!’ 
Daar word ik altijd blij van. 
 
Dan Leeuwarden. Daar is ook een toilet bestaande uit 
drie zelfreinigende roestvrijstalen units.  Je moet een nummer bellen om toegang te krijgen.
 
Ik belde. Na het intoetsen van een speciale code die ik per sms ontving opende zich de roestvrijstalen deur en voelde ik mij even Ali Baba zelf. 
 
Eenmaal binnen bleek het toilet overstroomd en vies. Ik belde voor 60 cent een nummer bij een andere deur. Daar sierden slingers WC papier de ruimte maar zover ik het kon beoordelen was het er tamelijk droog. 
 
Eenmaal in de holle ruimte zat ik mij op de roestvrij stalen bril af te vragen of de deur wel weer open zou gaan en wanneer. Zou de deur open gaan als ik bijvoorbeeld had doorgespoeld? Of zou de deur open springen als er toevallig iemand van buiten hetzelfde nummer zou bellen? Moest ik nogmaals bellen om de deur weer open te krijgen? Zou de deur überhaubt wel open gaan? Om een stukje papier te bemachtigen moest ik opstaan want de WC rolhouder bevond zich helemaal aan de overkant. Toen ik weer ging zitten spoelde het automatische ding vanzelf door en draaide de bril met een gruwelijk geluid onder mijn billen vandaan. 
 
Geef mij maar perron 2. 
 
Hoe vaker ik op station Leeuwarden vertoefde, hoe vaker ik de mensen gadesloeg die naar het toiletgebouw beenden en vervolgens teleurgesteld afdropen. 
Vooral oudjes raakten de kluts kwijt. 
 
Op een dag zat ik bij Julia’s. Het koffie café naast het toiletgebouw. Twee bejaarde dames hadden vriendelijk gevraagd of ze aldaar naar toilet mochten. Dat mocht niet. Julia fungeerde niet als hoge noodopvang. De oudjes verdwenen uit zicht. Na geruime tijd kwamen ze weer dapper aan geschuifeld. Of ze toch ALSJEBLIEFT even naar toilet mochten want ze kregen de roestvrij stalen deur écht niet open. 
Ik had ze persoonlijk ondanks de regels ogenblikkelijk toegelaten. Je zult maar zo oud zijn en met een volle blaas de trein in moeten. Daar waar ze op hun oude beentjes door de treingangen moesten sjokken op zoek naar een toilet. ALS er tenminste een toilet aanwezig was. 
‘Nee, het toilet is voor onze klanten. Wilt u naar toilet gaan dan dient u hier koffie drinken.’ galmde de koffie meneer. 
Maar ach, de vrouwtjes waren teveel tijd kwijt en de trein stond reeds klaar.
 
‘Ik heb hier een dubbele cappuccino gedronken,’ zei ik toen.
‘En ik hoef niet naar toilet. Dus dan mogen zij wel in mijn plaats.’ 
 
‘NEEN. Dat is niet ons beleid,’ zei de man met een roestvrij stalen gezicht.

De verjaardag van Hans

Suriname:

We deden een rondje ‘voorstellen.’ Tenslotte zouden we bijna een week in elkaars gezelschap verkeren. 
Iedereen hield het leuk en kort. 
Behalve Hans. 
 
‘Ik ben Hans!’ vertelde de oude heer monter. Er volgde een monoloog van ruim een kwartier. 
‘En ik ben donderdag JARIG!’ volgde er rap en verwachtingsvol achteraan. 
 
Nu is het zo dat ik een Friezin ben. 
En wij zouden -ik spreek eigenlijk alleen voor mezelf en voor manlief- sst- uit bescheidenheid niet eens zéggen of mélden dat we jarig zijn. We zouden het best wel een heel klein beetje gênant vinden dat andere mensen die wij helemaal niet kenden voor ons zouden moeten zingen. Of…de slingers op zouden moeten hangen! Ballonnen op zouden moeten blazen. Cadeautjes kopen of maken. Nee, we zouden tijdens de vakantie de dag doorbrengen zoals elke dag. Het is niet zo dat we niet van feestjes houden. Oh nee, onze eigen vrienden en familie zouden we de sterren van de hemel dansen! Maar in den vreemde zouden we aan het eind van de dag wel fijn trakteren. Als verrassing. 
 
Hans bleek zeer slecht ter been. Tijdens wandelingen moest de hele groep op hem wachten en het kwam ook voor dat Hans zo bang was om in een klein bootje te varen dat we om moesten keren om hem eerst weer naar zijn eigen hut  te brengen. 
Tijdens een excursie gaf hij aan niet verder te willen waardoor we weer een dagdeel kwijt waren aan het vervoeren van Hans. Waarom Hans juist deze reis had uitgekozen vonden we een raadsel. 
 
 
Eigenlijk waren we de verjaardag van Hans al helemaal vergeten. 
Maar de grote dag naderde en werden we er door zijn familieleden op gewezen. Tijdens het ontbijt kwam onze fantastische en lieve gids al zingend aanlopen met een grote fles wijn voor Hans erbij en wij hadden onder leiding van Hans zijn vrouw de vlaggetjes opgehangen. De trommelende mensen uit het dorp wierpen cadeautjes voor zijn voeten en het was allemaal fantastisch. Voor Hans. Voor ons bleek het uitstapje naar het oerwoud die ochtend niet door te gaan. 
 
Het lied hebben we toch maar hard meegezongen. 
Hans had nog nooit zo’n mooie verjaardag gehad. 
 

Olifantje in het bos

Manlief had een plaats verderop dit keer. In het vliegtuig.
Naast mij schoof een jonge moderne moeder met baby aan terwijl schuin achter mij een ander kindje een enorme keel opzette en daar niet meer mee ophield. Krijs krijs.
‘MIJN baby huilt niet hoor, hij heeft vliegervaring,’ meldde de jonge moeder trots. Het kleine jongetje keek vrolijk uit zijn oogjes en lachte met kuiltjes in zijn bolle wangen.
Zo klein en dan al zoveel vliegervaring.

Tijdens het opstijgen begon moeder te zingen. Eerst kwam:

‘Helicopter, helicopter, ga je met me mee omhoog
Hoog in de wolken wil ik wezen, hoog in de wolken wil ik zijn
Helicopter, helicopter, vliegen is zo fijn.’

Dat liedje kende ik nog wel van de kleuterschool. Ik zong het zachtjes in mezelf mee.

Daarna klonk:

‘Op een grote paddestoel, rood met witte stippen.’

Goh, alweer een liedje van vroeger. Wat leuk. Ja, kabouter Spillebeen, die kende ik ook nog wel.

Vervolgens zong moeder:

‘Ik zag twee beren broodjes smeren.’

De stemming zat er goed in. ‘Hihihi Hahaha, ik stond erbij en ik keek er naaaar.’
Het jongetje volgde stralend zijn moeders lippen en merkte niet dat het vliegtuig scheef in de lucht hing.

Tenslotte volgde het liedje:

‘Olifantje in het bos.’

DAT liedje kende ik nog niet. Nooit eerder gehoord.

Na olifantje begon ze weer van voren af aan.

Mijn bewondering groeide. Wat mooi om een klein ventje vliegervaring bij te brengen door eenvoudig te blijven zingen. Het hele riedeltje telkens opnieuw.
Tijdens de reis liet ze haar kindje spelletjes doen maar ruim voor de landing begon ze weer te zingen.

Ik wist de volgorde al en bromde opgewekt mee.
Ik neuriede terwijl ik op mijn koffer wachtte en in de auto op weg naar huis.

Vlak voor het slapen zong ik in bad.

‘Wat zing je daar toch de hele tijd?’ wilde manlief weten.

‘Olifantje in het bos!’ 
‘OLIFANTJE IN HET BOS?’ 

Klik hier voor de melodie

Twee voor de prijs van één

Hoe gaat het?
Druk, druk, druk. Besprekingen, vergaderingen, werk, bankgesprekken, huis verkopen.
 
En ik heb vannacht zo raar gedroomd. Moet je horen.
 
Op een gegeven moment ging in mijn droomverhaal het alarm af. Mensen renden naar me toe en wezen me de weg naar een bed waarin mijn manlief lag. Hij was juist binnengebracht op een brancard. Weer zijn hart? Hevig geschrokken ging ik op het bed zitten en hield zijn hand vast.
Ze hadden hem een slaapmiddel toegediend en terwijl ik bezorgd over zijn weinige haar streek kwam er een dokter aangelopen. Zijn gezicht stond niet op sympathiek
 
De arts stelde me gerust. Er was gelukkig niets met manlief’s hart. Hij wees echter naar een been van man. Het been zag er heel normaal uit. Zijn leuke been. Wat was daar mis mee?  ‘Dat been kunnen we niet behouden, heel spijtig,’ sprak de dokter. ‘Wilt u toestemming geven om het vannacht nog te laten verwijderen?’ 
‘Néé!’ schrok ik. ‘Is dat de enige optie?’ 
‘Het is de enige optie. U moet NU beslissen en ik zou als ik u was ook meteen het andere been laten verwijderen want het is  twéé voor de prijs van één.’
 
‘Ik kan geen beslissing nemen terwijl mijn man slaapt!’ zei ik schor. 
‘Dan doet u het niet maar ik moet zeggen dat ik het wel overdreven gevoelig van u vind.’ 
 
‘Mijn man zal zelf morgenochtend de beslissing nemen als hij wakker wordt’ zei ik ferm.
 
De volgende dag arriveerde ik met bonzend hart in de eetzaal. Ach, hoe zou het met mijn manlief gaan? Daar kwam vreemd genoeg mijn zusLien aangesneld. 
‘DAAAAAR zit hij!!!’ wees ze. ‘WAAR?’ 
 
Ik kon manlief niet vinden maar Lien beende voor me uit. Eindelijk zag ik hem. Hij was heel heel klein geworden. Er zat een piep klein rompje op de stoel. ‘NEE!’
 
Ik vloog hem in zijn armen die hij nog allebei had en weende: ‘Wat heb je nu gedaan! Was het écht wel nodig? Je benen zagen er nog zo gezond en normaal uit.’
 
Manlief suste: ‘Maar meissie, ik ben wel blij dat ik van mijn benen af ben. Het valt reuze mee. EN… het was nu twéé voor de prijs van één.’ 

Tante Kraai


Kraaien hebben pootjes
maar mijn tante had ze ook
want ze kwamen vaak tevoorschijn
als ze lachte 
 
Ze zaten rond haar ogen 
rond haar neus en om haar mond
rim-pels van fluweel, die
hele zachte 
 
Ze prijk-ten op haar voorhoofd 
in haar hals, on-der haar kin
en ze plooiden beide wangen  
oud van dagen
 
Doch mijn tante vond ze lastig
vond ze lelijk, vond ze grauw
Ze droeg ze maar ze kon ze 
niet verdragen
 
Dus toen trok ze gekke bekken
stak haar tong uit op muziek
smeerde zalfjes op haar snoet en
at tomaten
 
Ze slikte vitaminen
dronk veel water, groene thee
maar dat wilde na een poosje
niet meer baten
 
Zij fronste want haar voorhoofd
werd niet glad en amper strak
Tante durfde zich op straat niet
te vertonen
 
Maar haar rimpelloos verlangen
hielp mijn tante op de been
en zij droomde elke nacht van 
siliconen
 
Op een dag ging ze waarachtig
naar een schoonheidsinstituut
Daar werd botox (niet te weinig)
ingespoten
 
De chirurg, bekwaam en vaardig
injecteerde eigenaardig
en pardoes is toen zijn naald wat
uitgeschoten
 
Tantes huid  té strakgetrokken
lippen té gecorrigeerd
tantes wangen opgeblazen,
kin verdwenen
 
Tante heeft nooit meer gelachen
zij was wel haar rimpels kwijt
maar ze liep nu elke dag op 
kromme tenen
 

Het nieuwe rokje en stinkende gier

Vanmorgen fietste ik in mijn nieuwe rokje op de bakfiets naar het tuincentrum. ‘Wat heb jij je vandaag mooi aangekleed,’ zei een man in groene overal. 
Hee. Wat leuk. Dat hoorde ik niet elke dag. Mijn dag begon goed. 
Bij de kassa werd ik opnieuw aangesproken door een dame. 
‘Ik zie u al een tijdje lopen en mag ik zeggen dat u een heel leuk rokje aanheeft?’
‘Ja hoor, dank u wel. ‘ 
Goh. 
 
Met de kar vol bloemen racete ik door de weilanden en een flink eind voor me sputterde een grote tractor. Ik dacht nog: ‘Wat glimt die auto mooi in de zon, wat geurt het hier  onweerstaanbaar naar boerderij en wat fiets ik hier toch heerlijk door het frisse lenteweer.’ 
 
Plotseling druppelde er een soort bruin vocht uit een pijp achter de tractor. 
De chauffeur -een jong manneke- sprong ogenblikkelijk uit de auto en begon aan de pijp te sleutelen. Voor mijn ogen gebeurde het. Het bruine vocht spoot uit de pijp over de chauffeur. Ik zag de paniek in zijn ogen. ‘Wat moet ik doen?’ las ik. 
Hij liep eerst naar voren, toen weer naar achteren, toen weer naar voren en greep wanhopig met zijn handen naar zijn hoofd. Want nu spoot er met volle kracht een stinkende lading gier over het pad. 
Ik kon niet wijken. Mijn nieuwe rokje (ooooh) werd er onder gespat. Mijn panty bruin. 
 
Vol afgrijzen trapte ik huiswaarts. Ik stonk naar boerderij. Kon het kledingstukje eigenlijk wel in de was? Had ik daar wel goed op gelet? 
 
Jee, daar reed zomaar een andere tractor met een levensgrote schep dwars over de weg. Het had weinig gescheeld of ik was met bakfiets en al opgeschept. De chauffeur zat  met wazige ogen achter het stuur. Ik wierp hem een nijdige blik toe terwijl hij zijn raampje opendraaide. Geen excuus kon er af. 
Hij mompelde iets terwijl ik uit pure schrik ‘Stomkop’ riep. 
 
‘Leuk rokje,’ of zo.