Ik was een jaar of acht en lag in de tuin te zonnen. Een hippe oom kwam op visite. Hij droeg een haaientand aan een touwtje om zijn nek. ‘Waar koopt u zo’n tandje?’ vroeg ik. Want het leek me stoer ook zo’n sieraad te dragen. ‘Kopen?’ zei hij. ‘Welnee, Deze tand heb ik zelf gevonden op het strand. Maar als je er óók een wilt heb ik wel een idee…’
Nu woonden we vroeger aan het water met daar tegenover een abattoir.
Mijn oom wees mij daar naar toe. ‘Zij geven wel emmers vol koeienogen weg voor biologieles en ze hebben ook tanden die ze zomaar weggooien.’
Ik durfde niet en vond het luguber maar mijn oom had er zelf als kleine jongen ook wel tanden gekregen zei hij. Hup, daar ging ik in mijn rubberbootje. Ik hees me met veel moeite op de hoge kant en liep met knikkende knieën het abattoir binnen. Daar sloop ik op blote voetjes de betegelde gangen door en duwde op goed geluk een deur open. De koelcel. Mijn hemel. Daar hingen de koeienlijken in rijen aan het plafond. Van de schrik spurtte ik naar buiten. Een man in een witte met bloed bevlekte jas riep me terug.
‘Wat doe jij hier?’
‘Ik wil eigenlijk vragen of u koeientanden voor mij hebt.’
‘KOEIENTANDEN?’
‘NEEN, die heb ik niet!’ zei de man maar ik wist onmiddellijk dat hij loog. Het leek me verstandig niets te zeggen en rap terug te roeien naar ons huis alwaar mijn rare oom met zijn mooie ketting pronkte. Ik zou nooit nooit nooit meer dat abattoir binnen lopen.
Tot gisteravond. Mijn zus was jarig en vierde het in het voormalig abattoir omgebouwd tot kookstudio en proeflokaal aan het water.
En gezellig dat het was!
LOKAAL55 -




