Omdat haar man in het ziekenhuis lag, moest ze noodgedwongen zijn hond uitlaten.
Voor zijn hond was ze al lang niet meer bang. Vooral nu hij stokoud, doof en dwaas begon te worden. Nee, het waren de ándere honden waar ze liever met een grote boog omheen liep. Maar ja, díe keffende en grommende honden huppelden juist liever in de richting van het bejaarde beestje en sprongen tegen haar op terwijl ze met haar speciale schepje tevergeefs stond te wachten op dát wat het mannetje van het Gas wél gedaan had.
Als de hond dan eindelijk een bergje in het gras gelegd had, kreeg ze het niet op haar schepje. Ze schoof de hondenbehoefte telkens weer voor zich uit terwijl ze er charmant gehurkt en -hopelijk- onbespied achteraan liep. In feite zou ze een soort veger en blikje moeten hebben. Of twee schepjes. Hoe deden die andere hondenmensen dat toch?
Na een vermoeiende dag besloot zij de hond voor één enkel keertje op haar achterplaatsje uit te laten. Tenslotte zat ze in haar badjas en wilde ze niet de kou in en aangezien zijn hond toch te oud was om ver te wandelen…
Maar de hond stond tot twee keer toe alleen maar met vragende ogen te smeken tot ze hem weer binnen liet. Daar trippelde hij door de kamer en blééf maar onrustig trippelen.
Ze trok haar jas over haar ponnetje en stapte met blote voeten in haar bontlaarsjes.
De hond lag braaf op de mat terwijl ze hem aan lijnde. ‘Even tien minuutjes en dan weer naar binnen,’ sprak ze streng tegen zijn dovemansoren.’
En inderdaad, na tien minuutjes stonden ze weer bij de voordeur.
Zonder sleutel.





