Haar schepje

Omdat haar man in het ziekenhuis lag, moest ze noodgedwongen zijn hond uitlaten. 
Voor zijn hond was ze al lang niet meer bang. Vooral nu hij stokoud, doof en dwaas begon te worden. Nee, het waren de ándere honden waar ze liever met een grote boog omheen liep. Maar ja, díe keffende en grommende honden huppelden juist liever in de richting van het bejaarde beestje en sprongen tegen haar op terwijl ze  met haar speciale schepje tevergeefs stond te wachten op dát wat het mannetje van het Gas wél gedaan had. 

Toen onze mop een mopje was

 
Als de hond dan eindelijk een bergje in het gras gelegd had, kreeg ze het niet op haar schepje. Ze schoof de hondenbehoefte telkens weer voor zich uit terwijl ze er charmant gehurkt en -hopelijk- onbespied achteraan liep. In feite zou ze een soort veger en blikje moeten hebben. Of twee schepjes. Hoe deden die andere hondenmensen dat toch? 
 
Na een vermoeiende dag besloot zij de hond voor één enkel keertje op haar achterplaatsje uit te laten. Tenslotte zat ze in haar badjas en wilde ze niet de kou in en aangezien zijn hond toch te oud was om ver te wandelen…

Maar de hond stond tot twee keer toe alleen maar met vragende ogen te smeken tot ze hem weer binnen liet. Daar trippelde hij door de kamer en blééf maar onrustig trippelen. 
 
Ze trok haar jas over haar ponnetje en stapte met blote voeten in haar bontlaarsjes. 
De hond lag braaf op de mat terwijl ze hem aan lijnde. ‘Even tien minuutjes en dan weer naar binnen,’ sprak ze streng tegen zijn dovemansoren.’
 
En inderdaad, na tien minuutjes stonden ze weer bij de voordeur.
 
Zonder sleutel.
 
 
 

‘Doe niet wat de verpleegster zegt, dan komt alles wel terecht’

Achter mij zat een behoorlijk zieke heer in zijn kamerjas waar dunne pyjama-beentjes onderuit staken. Hij had een spierwit gezicht maar zijn ogen twinkelden nog levendig en schrander. Mensen kwamen en gingen door de draaideur waar we op uit keken. De man ving interessante flarden van gesprekken op terwijl hij in zijn koffie roerde. Ik merkte het aan zijn gespitste oren. Een andere patiënt kwam even informeren hoe het ging…

‘Het gaat best hoor. Ja, ja, ja.’

Opeens schreed een strenge verpleegster met opgerolde mouwen naar hem toe.
‘Oh, hier zit u dan, mijnheer van Uden!’
‘Ja, hier zit ik, zuster.’
‘U mag beslist niet van uw kamer. Ik neem u daarom weer mee.’
Mijnheer van Uden sputterde zachtjes tegen.
De verpleegster trok hem vervolgens aan zijn arm omhoog tot hij rechtop stond.
‘Ik maakte me heel erg ongerust!’ verduidelijkte de zuster.
Ze installeerde hem achter zijn zijn rollator maar meneer van Uden bleef roerloos staan.

Toen maakte hij een schijnbeweging en zijn ogen straalden ondeugend terwijl hij achter zijn rollator aan rende. Die hele oude zieke man holde hard door het gebouw met de zuster op zijn hielen. ‘Doe dat niet. Doe dat niet, mijnheer van Uden!’

Er klonk een lachsalvo door de ziekenhuishal,
want het was onverwacht theater.

Nee, laat mijnheer van Uden maar lopen,

eh rennen.

‘Gas’ lucht


De volgende dag om 7.30 arriveerde er een ánder mannetje. Het was een man op leeftijd die in feite te te krakkemikkig was om nog een zware ketel de trap op te tillen. Ik voelde mededogen. Het mannetje klaagde steen en been. Ik zette daarom een lekker kopje koffie voor zijn neus maar vreemd genoeg liep het mannetje naar boven zónder de koffie en bleef daar geruime tijd rondhangen. Dus bracht ik het kopje naar boven. Echter, toen liep het mannetje  weer de trap af naar beneden. Wederom zonder heerlijke, inmiddels koude kopje Illy.

Raar mannetje. Dacht ik toen al. 

Opnieuw zat ik de gehele ochtend noodgedwongen in de keuken en sopte de keukenkastjes.
Helaas kwam er opeens geen water meer uit de kraan. Het meneertje had het water zonder te waarschuwen afgesloten.
‘Hoe lang gaat dit duren?’ vroeg ik daarom toen ik een kijkje kwam nemen.

‘In elk geval tot 12.00 uur als je geluk hebt.’

Ik ruimde alle laatjes op. Zo had ik toch mijn tijd nuttig besteed.
Om 10.00 uur moest ik naar toilet maar nee, dat kón niet want ik zou de WC immers niet kunnen doortrekken. Dan maar inhouden en wachten tot ik opgehaald werd voor een lunch buitenshuis.

Halverwege de ochtend klom ik naar boven om te informeren hoe het ging.
Het mannetje bromde vanuit de kast dat het nog een hele klus was en dat hij waarschijnlijk tot het eind van de middag nog wel bezig zou zijn. Ik liep terloops de badkamer in om iets te pakken en keek met een schuin (groot) verbaasd oog in het toilet aldaar.

Het kon toch niet waar zijn.
Daar lag een verse drol te dampen.
In mijn eigen schone toiletje een drol van het mannetje.

Ik wilde roepen: ‘Wat hebt u NU gedaan!’ Maar het was overduidelijk wat het mannetje gedaan had.

Wat een Gaslucht.

Mannetje na gedane arbeid

Dit wordt een dure grap, dame!

Het mannetje van het Gas was gekomen.
‘Wil je wel even komen kijken?’ galmde het van boven.
De boiler bleek plotseling compleet kaduuk.
‘Dit wordt een hele dure grap, dame!’
De man bladerde in zijn papieren.
‘Een nieuwe ketel kost maar liefst….
3500 eurootjes.’

Nu had ik nét een akelige ervaring achter de rug en bovendien een minuut geleden slecht nieuws per telefoon ontvangen. Ik moest dat nog helemaal verwerken en deze mededeling kwam als extra druppel.  Mijn lip begon te trillen.

‘Maar beste meneer,  wij gaan binnenkort verhuizen. Is het echt nodig de héle ketel te vervangen?’ Mijn stem piepte vreemd.

‘Wis en waarachtig!’ brulde het mannetje.

Och, daar had je het al. De tranen sprongen mijn ogen uit en van het ene op het andere moment onderging het gezicht van het Gas mannetje een metamorfose.
Van zakelijk koel tot verschrikt en zacht.

‘Ik wilde dat ik het voor je kon maken!’ stamelde hij.
‘Het ligt niet aan u,’ schreide ik. ‘Het is even de druppel,
boeboeboe.’

De rest van de dag had ik verplicht ‘vrij’ en zat ik in de keuken waar het iets warmer bleek dan 13 graden.
Daar bakte ik een cake. En nog een cake. En ook nog een appeltaart. Stoofde peren, ik moest toch wat.

Buiten toeterde het mannetje.
Hij kwam een piepklein straalkacheltje brengen en onderhandelde per mobiel met een ander mannetje en het bedrag voor een nieuwe ketel werd zowaar de helft goedkoper.

Goh.  ’Ik zou eens vaker moeten huilen.’

De man in de gestreepte pyjama

Haar man kwakkelde al geruime tijd

met zijn gezondheid.

Na zijn reis naar het binnenland van
Suriname ging het slechter en slechter.

Na geruime tijd liet hij zich onderzoeken.
Men dacht aan een tropisch virus.
De man slikte de ene kuur na de andere.

Maar hij bleef zich voortslepen.
Intussen werd hun  huis  gebouwd.
Het huis met een aparte ruimte voor de vrouw
en een aparte grote werkruimte voor de man.
Hun grote droom na vijftien jaar.

Hij wilde er al zijn energie in steken maar kon zich
er niet optimaal voor inzetten.

De man werd stiller, ouder, witter, humeuriger.

Na het zoveelste onderzoek bleken zijn aderen voor
het grootste deel dichtgeslibd te zijn en werd hij aan het eind van een gewone middag gebeld dat hij de volgende dag geopereerd kon worden.
Ze kocht om 17.50 nog snel een pyjama bij de Hema.
Die bewuste ochtend vergezelde ze hem naar de hartbewaking waar hij naar de operatiekamer werd gerold en ze zijn wit gezicht en nog net een stukje gestreepte pyjama om het hoekje zag verdwijnen.

Nadien volgde een revalidatie en de man knapte heel langzaam een beetje op.
Hij maakte weer grapjes, ging sporten en te snel weer aan het werk.
Doch, de beloofde tien jaren jonger bleven uit.

Na enkele maanden werd geconstateerd dat de man nog steeds te weinig zuurstof had. Hij moest opnieuw pillen slikken waar hij voorheen al heftig op reageerde.

Hij moest bovendien verwerken dat hij inplaats van beter te worden opnieuw onder het mes zou moeten.
Hopelijk gaat het niet lang duren.
Zij heeft zijn gestreepte pyjama fris gewassen en vast klaargelegd.

Ontnieten

Na weken ploeteren is het zover. De oude stoelen van mijn opoe zijn naakt en ontdaan van hun vijf lagen bekleding, fluweel, de roestige vering, de voering, het zaagsel, jute en duizenden, duizenden, duizenden nietjes.

Kleine nietjes, grote nietjes, middelmatige nietjes.

Nietjes zó vakkundig in het hout geschoten dat het mij amper lukte om er de punt van een mesje onder te worstelen zodat ik het dingetje ietsepietsie omhoog kon wippen met een ánder speciaal tangetje. Maar als ik er eentje hád dan grijnsde ik -met mijn kiezen op elkaar- van oor tot oor.

Ik trok en ik trok tot de ‘operatie’ geslaagd was, of ik trok tot het nietje knapte en vanwege zijn oude roestigheid doormidden brak en ik de puntjes omhoog moest zien te knijpen.

Per dag trok ik twintig minuten voor uit voor dit getrek.  Een vast ritueel.

Ik begon het nog plezierig te vinden ook. Elke dag een poosje peuteren dat hád ook wel wat. En als er met een nietje soms zomaar een stukje stof méé kwam, soms kon ik gewoon een stukje stof van de stoel áf scheuren, dát was mijn grootste geluk.

Nu heb ik niets meer te ontnieten.

Ooit schreef ik een ‘gedichtje’ over: ‘Het nietje’ Maar wat is een ontniet nietje?


					

Laat me

Tijdens mijn opleiding aan de academie kreeg ik de opdracht een tekening te maken bij een lied waar ik een ode aan wilde brengen.

Ik koos voor het lied: ‘Laat me!’ van Ramses Shaffy. Dat sprak me zó aan.

Ik had het ook altijd zo gedaan.

Gisteravond werd dit lied door ‘Alderliefste’  ter gehore gebracht in het tijdelijk Theater Sneek (een tot theater omgebouwd kerkje) als ode aan Ramses en bracht het mij terug in de tijd. Die eerste opdracht dat prachtige gedicht. Ik zong (en danste) daarom ook enthousiast mee op deze schitterende vertolking.

Hoe geweldig dit optreden was kun je lezen bij Lien en bij GrootSneek.nl